Financiële spelregels
De financiële spelregels zoals deze zijn opgenomen in de Stadsbegroting 2023 ,zijn hieronder cursief weergegeven. Na iedere spelregel volgt een korte toelichting.
Structureel sluitende begroting
De meerjarenbegroting moet sluitend zijn.
Toelichting
Wij vinden het belangrijk dat de inkomsten en uitgaven in evenwicht, sluitend zijn.
Reële ramingen
Bij het begroten gaan we uit van reële ramingen. De raming van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds voor een begrotingsjaar baseren wij op de Meicirculaire van het voorafgaande jaar. Bij de begrotingsbehandeling informeren wij de raad over de effecten uit de Septembercirculaire, zodat de raad deze uitkomsten mee kan nemen in de afwegingen bij de Stadsbegroting.
Toelichting
De ramingen die in de begroting worden opgenomen, zijn in principe voorzien van een nadere onderbouwing. Daarbij moet gedacht worden aan zaken als externe bronnen, globale plannen of concrete berekeningen. Ramingen moeten realistisch zijn, dus niet gebaseerd op wensdenken om een begroting sluitend te krijgen. Uit de toelichtingen bij nieuwe begrotingsvoorstellen moet dan ook duidelijk blijken waarop ramingen zijn gebaseerd, zodat de raad zich op basis van deze informatie een beeld kan vormen van de realiteitswaarde.
Voor de raming van de algemene uitkering voor de begroting van jaar 20XX gaan we uit van de meicirculaire van jaar 20XX -1. De uitkomsten van die circulaire zijn eind mei, en meestal begin juni van jaar 20XX-1 bekend. Deze cijfers kunnen worden verwerkt in de Stadsbegroting van jaar 20XX. De resultaten uit de septembercirculaire zijn eind september, en meestal begin oktober van jaar 20XX-1 bekend. Omdat dit te laat is om nog te verwerken in de Stadsbegroting – die volgens artikel 191 lid 2 van de gemeentewet uiterlijk voor 15 november van jaar 20XX-1 door de raad moet worden vastgesteld – wordt de raad voorafgaand aan de behandeling van de Stadsbegroting van jaar 20XX bij brief over de uitkomsten van de septembercirculaire geïnformeerd.
Indexering
We hanteren het uitgangspunt dat de prijspeilaanpassing budgettair neutraal verloopt. De lastenuitzetting wordt betaald uit de prijspeilaanpassing van het Gemeentefonds en het verhogen van gemeentelijke tarieven. Ieder jaar verwerken we de prijsstijgingen in de begroting door de bedragen in de begroting te indexeren. We gebruiken daarvoor de volgende indicatoren uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB):
- de gemiddelde prijsmutatie van door de overheid aangekochte goederen en diensten;
- de gemiddelde salarisontwikkeling binnen de overheid;
- de ontwikkeling van sociale premies en pensioenbijdrage voor de werkgever en
- de Consumentenprijsindex (CPI) als maat voor de geldontwaarding, die wordt bepaald door kostenstijgingen en kostendalingen over alle sectoren van de economie.
Op basis van deze cijfers uit het CEP bepalen we indexeringspercentages voor de loonsom, voor de materiële lasten, voor de subsidies en voor de gemeentelijke tarieven. De indexeringspercentages van de loonsom en de materiële lasten bepalen we op basis van bovenstaande objectieve indicatoren van het CEP. We houden daarbij rekening met de verwachte kostenontwikkeling van het begrotingsjaar (t) en een eventuele nacalculatie over het voorafgaande jaar (t-1) van het CEP.
Voor het bepalen van het indexeringspercentage voor subsidies hanteren we standaard een mengpercentage. Dit mengpercentage is gebaseerd op de index van materiële kosten en de index voor de loonsom in de verhouding een derde – twee derde.
De gemeentelijke OZB-inkomsten waarop de tarieven zijn gebaseerd laten we jaarlijks toenemen op basis van de gemeentelijke kostenstijging. Ook hiervoor hanteren we het mengpercentage een derde index materiële kosten en twee derde index loonsom. De uitwerking van deze uitgangspunten vindt jaarlijks plaats bij de vaststelling door de gemeenteraad van het financieel begrotingskader bij het Koersdocument.
Toelichting
Onder andere als gevolg van inflatie stijgen prijzen ieder jaar. Daarvoor worden we (deels) gecompenseerd doorhet Rijk via de prijspeilaanpassing van het Gemeentefonds. Ook wordt dit (deels) gecompenseerd doordat we ook hogere prijzen kunnen vragen voor producten en diensten die wij als gemeente leveren. Het uitgangspunt is dat dit voor de begroting in zijn geheel budgettair neutraal verloopt. Voor programma’s betekent dit dat ze het in principe te doen hebben met de compensatie die ze ontvangen. Volstaat dit in de praktijk niet, dan is het in eerste instantie aan het programma om maatregelen te treffen teneinde de lasten in evenwicht te brengen met de baten. Is dat niet mogelijk, dan kan er tijdens het moment van integrale afweging (het Koersdocument en uiteindelijk de Stadsbegroting) een voorstel worden ingediend.
Structurele uitgaven worden structureel gedekt
Tegenover structurele uitgaven kunnen geen incidentele inkomsten of incidentele meevallers staan. Uit de post ‘Onvoorzien’ worden géén structurele uitgaven gedaan. Deze post is bedoeld voor incidentele en uitsluitend eenmalige (a-structurele) zaken die geen uitstel dulden en waarin de reguliere begrotingsposten niet voorzien. De raad heeft het budgetrecht en beschikt derhalve over deze post, op voorstel van het college.
Toelichting
Deze spelregel moet voorkomen dat in de toekomst financiële problemen ontstaan doordat er geen geld is voor structurele beleidsuitgaven. Structurele uitgaven zien we aankomen en zijn dus te voorzien. De post onvoorzien is, zoals de naam al aangeeft, niet bedoeld voor voorziene uitgaven. Overigens zou in het jaar van melden een structurele melding ten laste van onvoorzien kunnen worden gebracht. Dit kan op dit moment niet omdat de post onvoorzien in Nijmegen € 0,- is.
Tegenvallers binnen programma’s opvangen
Nadelen worden in beginsel binnen het eigen programma opgevangen. Voordelen worden integraal afgewogen. Uitkomst van deze weging kan zijn dat het voordeel wordt ingezet voor nieuw beleid binnen het programma waarin het voordeel is ontstaan of voor knelpunten binnen dat programma. Als principe hanteren we dat leges kostendekkend moeten zijn.
Toelichting
De raad stelt op programmaniveau budgetten aan het college beschikbaar. Wanneer er financiële tegenvallers zijn, dan wordt als eerste er binnen het programma gezocht naar mogelijkheden om die tegenvallers op te vangen. Dit kan bijvoorbeeld door te bezuinigen of door extra inkomsten te verwerven. Wanneer hogere baten ontstaan is de afspraak dat de raad integraal afweegt wat met die overschotten wordt gedaan: er kan dan alsnog gekozen worden voor besteding in het betreffende programma, maar dat kan dus ook in een ander programma zijn.
De reden dat leges kostendekkend zijn heeft te maken met wet- en regelgeving dat leges niet meer dan kostendekkend mogen zijn en het principe ‘de gebruiker betaalt’.
Integrale afweging
De 1e Voortgangsmonitor gaat in op de afwijkingen van het lopend boekjaar. Er is geen ruimte voor voorstellen voor nieuw beleid in het lopend boekjaar, tenzij de risico’s voor de stad te groot zijn of omdat er op dat moment aan externe verplichtingen voldaan moet worden die geen uitstel kunnen dulden.
Het Koersdocument faciliteert het debat over de inhoudelijke koers die de komende begrotingsperiode nodig of wenselijk is. Bij de Stadsbegroting in het najaar vindt de integrale afweging en inpassing in de begroting plaats. Via de 2e Voortgangsmonitor en Jaarrekening worden geen besluiten genomen over het uitvoeren van nieuw beleid.
Toelichting
De achterliggende gedachte hierbij is dat alleen in uitzonderlijke gevallen, buiten de integrale afweging om voorstellen kunnen worden gedaan voor nieuw beleid. In de 1e Voortgangsmonitor legt het college verantwoording af over het lopende begrotingsjaar. Het college informeert de raad daarmee over de door de raad door middel van de Stadsbegroting vastgestelde koers. Het gaat hier om een afwijkingenrapportage. Het is niet het moment om voorstellen voor nieuw beleid voor het desbetreffende jaar te doen. Daarvoor is de jaarlijkse Stadsbegroting, waarin vier jaar vooruit wordt gekeken, het juiste instrument. Alleen bij de Stadsbegroting kan een integrale afweging worden gemaakt van voorstellen voor incidenteel en structureel nieuw beleid. In uitzonderlijke gevallen, wat moet blijken uit het desbetreffende voorstel, kan de raad besluiten buiten de Stadsbegroting om middelen vrij te maken voor nieuw beleid.
Oud voor nieuw
In geval het college of de raad een voorstel doet om extra geld uit te geven op een ander moment dan bij de integrale afweging, dan moet solide dekking worden aangewezen. Tenzij er sprake is van externe dekking, moet in het voorstel aangegeven worden welk bestaand beleid moet worden geschrapt of verminderd. Een beroep op de saldireserve, een verwacht positief rekeningsaldo of een waarschijnlijk begrotingsoverschot is geen acceptabele dekking.
De raad kan richtinggevende opdrachten geven aan het college om bij de voorbereiding van de begroting rekening te houden met belangrijke wensen ten aanzien van beleidsprioriteiten en de financiële inpassing daarvan.
Toelichting
In deze spelregel is aangegeven dat de raad één moment wil om nieuwe beleidswensen en beschikbare financiële ruimte af te wegen. De bedoeling van deze spelregel is om te voorkomen dat beleidswensen worden gehonoreerd die een claim doen op de algemene middelen buiten dit integrale afwegingsmoment om. Onder ‘solide dekking’ wordt namelijk een duidelijk aanwijsbare dekking bedoeld; een beroep doen op algemene middelen is dat niet.
Het tweede deel geeft de raad de mogelijkheid om het college richting mee te geven voor de
begrotingsvoorbereiding. Dit gebeurt met name tijdens het debat over het Koersdocument door bijvoorbeeld het indienen van moties.
Investeringen
Bij de investeringen maken we onderscheid in specifieke investeringen, investeringen met eigen dekking en bulkinvesteringen. Bij de planning van specifieke investeringen houden we rekening met een potloodfase, voorbereidingsfase en een uitvoeringsfase. Bulkinvesteringen zijn jaarlijks terugkerende budgetten voor bedrijfsinvesteringen, aanpassingen in gemeentelijke accommodaties en woonomgevingsverbeteringen. Uitgangspunt voor het investeringsvolume is een constant kapitaallastenniveau in de exploitatie (programma’s) en de jaarlijkse toevoegingen uit de areaalontwikkeling.
Toelichting
In het door de raad vastgestelde investeringskader wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten investeringen: specifieke investeringen, investeringen met eigen dekking en bulkinvesteringen. Voor meer achtergrondinformatie wordt hier verwezen naar dat investeringskader. Het belangrijkste uitgangspunt van de spelregel is dat de raad bij het vaststellen van de Stadsbegroting vastlegt, wat het toegestane niveau aan kapitaallasten mag zijn. Dat uitgangspunt is nergens anders vastgelegd. Als het college bij voorstellen voor een volgende Stadsbegroting te weinig budget heeft voor kapitaallasten om alle nieuwe investeringen te kunnen doen, moet het college aangeven
hoe de extra benodigde kapitaallasten kunnen worden gedekt.
Reservepositie
De saldireserve is de algemene risicobuffer van de gemeente. Twee keer per jaar - bij jaarrekening en begroting - wordt de noodzakelijke omvang van de saldireserve op basis van een actuele risico-inventarisatie en risicoweging beoordeeld en zo nodig aangepast. Er is geen bovengrens van de saldireserve afgesproken.
Toelichting
De saldi-reserve of algemene reserve is een reserve waarmee eventuele tegenvallers kunnen worden opgevangen. Een te lage reserve brengt het risico met zich mee dat bij veel tegenvallers er onvoldoende buffer is. Omdat de reserve is opgebracht door de inwoners en bedrijven van Nijmegen kan de reserve ook te hoog zijn. Het is daarom belangrijk dat er ieder jaar een goede inschatting wordt gemaakt van de noodzakelijke omvang van de reserve. Dit gebeurt bij de Stadsbegroting en Stadsrekening op basis van een risico-inventarisatie en risicoweging.
Wijzigingen binnen financiële kaders
We hebben oog voor financiële risico’s en gaan behoedzaam om met financiële mee- en tegenvallers. Daarom blijven wij ons inspannen om ons bestaande financiële beleid zorgvuldig na te leven. Dat houdt een kostenbewuste houding en bijbehorend gedrag in. Daarmee ontstaat ook de mogelijkheid voor het college om alle niet-geprognotiseerde voordelen expliciet te beoordelen, zodat wij de bewuste en integrale afweging kunnen maken om deze voordelen ofwel in te zetten ter compensatie voor niet-voorziene nadelen, ofwel om ze in te zetten voor (onvoorziene) knelpunten.
We gaan aan het einde van het jaar zeer behoedzaam om met voorstellen voor een tweede winstbestemming. Dergelijke voorstellen horen in beginsel thuis bij de integrale afweging.
Als de financiële kaders door belangrijke gebeurtenissen of omstandigheden substantieel wijzigen (in acute omvang of in zijn structurele doorwerking), dan maakt het college een afweging - of - en - zo ja, hoe de uitvoering van het coalitieakkoord zijn vervolg kan krijgen en consulteert daarover de raad.
Toelichting
Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn het budgetrecht van de raad en het goed koopmansgebruik dat het college bij de besteding van de middelen in acht heeft te nemen. Er mag niet meer worden uitgegeven dan dat er door de raad beschikbaar is gesteld. En als er voordelen ontstaan en er minder middelen nodig blijken te zijn voor het realiseren van de door de raad vastgestelde doelen, moet de raad daar een nieuwe afweging op kunnen maken. Het college moet dan ook een compleet beeld krijgen van alle voor- en nadelen om op basis daarvan een afgewogen voorstel aan de raad voor te kunnen leggen.
Een ‘positief’ jaarrekeningresultaat voelt soms als een onverwacht extraatje. Voorstellen met de tweede winstbestemming lijken dan niets te kosten. Daarnaast is het niet wenselijk om veelvuldig een beroep te doen op de 2e winstbestemming, omdat daarmee voorstellen de integrale afweging ontlopen die eens per jaar in het kader van de Stadsbegroting plaatsvindt.
Veranderende maatschappelijke omstandigheden en fluctuerende (Rijks)budgetten kunnen ertoe leiden dat oorspronkelijke ambities moeten worden bijgesteld. Aangezien het bij de gemeente Nijmegen de laatste jaren gebruikelijk is dat het coalitieakkoord wordt vastgesteld door de gemeenteraad ligt het voor de hand dat de gemeenteraad ook besluit over eventuele bijstelling van het ambitieniveau zoals geformuleerd in het coalitieakkoord.
Rijksmiddelen sociaal domein
De rijksmiddelen die via de BUIG-uitkering worden ontvangen, beschouwen we als algemene middelen. De financiële fluctuaties op deze uitkering zijn groot en nagenoeg niet te beïnvloeden door eigen beleid. Het opvangen van deze fluctuaties in het eigen programma kan leiden tot ongewenste ingrepen in beleid dat niet direct gerelateerd is aan het verstrekken van uitkeringen maar wel onderdeel uitmaakt van hetzelfde programma.
Deze regel is relatief nieuw (in 2018 toegevoegd). De bedoeling van deze regel was destijds om financiële tekorten op onderdelen waar specifieke rijksmiddelen tegenover staan, gemeente breed af te wegen. En dus niet als alleen maar een probleem van het betreffende programma te bestempelen. Daar kwam nog bij dat de toedeling van rijksmiddelen een nogal grillig patroon vormden waar binnen de kaders van een specifiek programma nauwelijks op gestuurd of gereageerd kon worden.
